De stad

11 februari 2016

Ik was lang niet in de stad geweest, tenminste als je de buitenwijk waar ik nu woon niet tot de stad rekent. Maar nu ging ik weer eens langs in mijn oude straat. Er waren heel veel mensen. Ik zag mensen met fietsen, met auto’s, met scooters, met skateboards en met ligfietsen. Mensen met baarden, mensen met gitaren, mensen met baarden en gitaren, mensen met burka’s, mensen met jassen, met honden, met honden met jassen. Mensen met boodschappenkarretjes, met rolkoffers, met rollators en met kinderwagens. Mensen met koptelefoons, met piercings, met paardestaarten, met mutsen met ‘Amsterdam’ erop, met hoeden en met oogkleppen op. Ik kon me niet herinneren ooit zoveel mensen bij elkaar te hebben gezien. Waren die er ook allemaal toen ik hier nog woonde? Misschien was ik immuun geworden voor zoveel mensen, waardoor ik ze niet meer gezien had. Maar nu was ik niet meer immuun. Ik was gewend om over brede stoepen te lopen, waar ik heel soms iemand tegenkwam, die ik dan groette. En diegene groette dan terug.
Ik vluchtte naar mijn oude huis en belde de onzichtbare bovenbuurman mobiel – hij heeft zijn bel onklaar gemaakt omdat hij niet gestoord wil worden. Maar voor mij kwam hij naar beneden.
‘Volgens mij wonen er nu Syriërs in je huis,’ zei hij. Verder ging alles goed, zei hij. Hij kon alleen mijn kat niet meer in huis nemen. Daar hadden we het aan de telefoon over gehad, een paar weken eerder. Mijn kat was eigenlijk net zo goed zijn kat, omdat hij altijd bij hem op schoot had gelegen, dag en nacht. En sinds de verhuizing piste hij alles onder. Misschien miste hij de onzichtbare bovenbuurman, zo redeneerde ik. En de onzichtbare bovenbuurman miste de kat ook. ‘Maar,’ zo zei hij, ‘nu pakken ze me niet. Als ik de kat in huis neem, ben ik kwetsbaar.’
Ik knikte. Daar kon ik niets tegenin brengen.
De onzichtbare bovenbuurman verdween weer in het huis dat mijn huis niet meer was. Ik zag het aan het stoffige trappenhuis. Dat ik hier niet meer woonde. Was dit nu nog wel mijn straat? Was dit nog wel mijn stad? Voorheen fietste ik hier achteloos rond en dacht (niet de hele tijd, het was meer een soort achtergrondgedachte): ‘Míjn straat. Míjn stad.’ Misschien was de straat wel nooit van mij geweest, en de stad ook niet. Misschien was hij wel van al die mensen, die me voorheen helemaal niet waren opgevallen. Accessoires van de stad, die van mij was.
Ik ging het Indiase restaurant naast mijn oude huis binnen. Ik kreeg een mangolassi van de Indiër en liet een foto van mijn kinderen zien.
‘Je wilde altijd al kinderen,’ zei de Indiër.
Ik zei dat ik nog een keer terug zou komen, met kinderen. Zodra ze groot genoeg waren om Indiaas te eten.
De Indiër vond dat een goed idee. ‘Dit zal altijd een beetje jouw straat blijven,’ zei hij.

 

Moederen

11 december 2015

Ik kwam in één week twee tweelingmoeders tegen in het park. Dat was best bijzonder, want ik zie vrijwel nooit iemand in dat park, maar tweelingmoeders en parken, die gaan blijkbaar goed samen. We waren zo blij om elkaar tegen te komen dat we meteen nummers uitwisselden. Sommige dingen kun je namelijk alleen met andere tweelingmoeders bespreken omdat zij de enigen zijn die het begrijpen. Moeders met maar één baby tegelijk (eenlingmoeders?) zeggen bijvoorbeeld: ‘Maar met één baby ben je ook heel druk hoor’, en dan denken wij stilletjes: waarmee dan? Eén baby lijkt ons namelijk een eitje, en inmiddels – na maandenlang creatief moederen door bijvoorbeeld voor de ene baby liedjes te zingen terwijl je de andere de borst geeft, of de ene troostend over je bovenbeen te draperen terwijl je de ander aankleedt, of ze ondersteboven boekjes voor te lezen terwijl ze tegenover je in hun wipstoeltjes zitten – zelfs een beetje saai. Als je maar één baby hebt, beschik je immers altijd over voldoende armen (tenzij je maar één arm hebt), en draagkracht (de draagdoek!) en kun je je kind als je geluk hebt ook nog af en toe aan je partner toevertrouwen (terwijl wij tegen hem zeggen: doe jij de ene baby, dan doe ik de andere). Natuurlijk, elke moeder is een heldin, ook de eenlingmoeders, maar soms geven ze tweelingmoeders tips als: ‘Waarom voed je niet op verzoek?’, of: ‘Elke avond een badje, dan slapen ze wel’, waar je als tweelingmoeder niet per se iets aan hebt.
Aan de andere kant: je bent algauw een heel tevreden moeder als je er twee tegelijk hebt gebaard. Als je de kraamtijd eenmaal hebt overleefd - die er meestal uit bestaat dat je na een keizersnede of bevalling plus complicaties voor twee premature baby’s moet zorgen, die extra zorg nodig hebben terwijl je eigenlijk zelf zorg nodig hebt - valt alles daarna wel mee. Je bent al best tevreden met één badje per week, of als ze allebei een keer tegelijk schone kleren aan hebben, of als je ze allebei bij je hebt als je op het consultatiebureau staat. Je hebt vrijwel nooit last van een schuldgevoel dat je tekortschiet als moeder (dat doe je toch wel en daar doe je niets aan) en je kinderen zijn na een tijdje extreem geduldig. Oké, je weet even niet meer hoe je ooit weer fulltime moet gaan werken, ‘joggingbroek’ is je middle name en je vrienden en hobby’s zullen het voorlopig moeten stellen met enige vorm van verwaarlozing, maar dat alles bestrijd je met het enige middel dat blijkt te werken in het tweelingmoederschap: overgave. En die vertedering als ze hand in hand liggen te drinken of tegenover elkaar op hun buik liggend babybrabbels uitwisselen, de dubbele lachjes, vier armpjes die zich naar je uitstrekken als je ’s ochtends wakker wordt – dat krijg je er allemaal zomaar gratis bij. En daarom heb je de hele dag een glimlach op je gezicht, wat er weer in resulteert dat iedereen je aanspreekt als je met de kinderwagen rondloopt, hoewel dat misschien vooral te maken heeft met die dubbele babylachjes.
Over dat soort dingen spraken we, de tweelingmoeders en ik. Ik met twee meisjes in de wagen, de andere tweelingmoeder met twee jongens en de derde met een jongen en een meisje. Binnenkort gaan we een keer met z’n drieën wandelen. Of nee, even rekenen, met z’n negenen.

 

Quality time

14 oktober 2015

We gingen voor het eerst een weekendje weg zonder de kinderen voor wat quality time. Nou ja, één nachtje en twee halve dagen, want langer wilde niemand in onze omgeving op een tweeling van drie maanden passen. Na een nacht die veel korter duurde dan we hadden gehoopt (je borsten worden gewoon om halfzes wakker als je borstvoeding geeft en jij dus ook), gingen we op een stralende zondagmorgen naar het strand. Ik was een enorm duin opgeklommen om daar te komen, dus we streken bij het eerste het beste bankje neer voor een cola en een frietje, want mijn conditie was nog niet wat hij geweest was en ik was ook nog niet helemaal gestopt met voor drie eten. We namen ons hardop voor om eens een paar uur lang helemaal niet over kinderen te praten, en ook niet over billendoekjes, voedingsschema’s, groeisprongetjes, of over de wildvreemde mensen die voortdurend naar ons toe kwamen om een blik in de kinderwagen te werpen en te zeggen dat het wel fijn was dat we ‘in één keer klaar waren’ en te vragen ‘of we ze ook wel eens omwisselden’ (van kinderwagenwieg, bedoelden ze dan, want een van de twee ligt een beetje weggestopt in het onderste wiegje en dat vinden ze zielig). Ik nam net een frietje, toen er een meisje naar me toe kwam van een jaar of vijf.
‘Mag ik je wat vragen?’
‘Ja,’ zei ik.
‘Heb jij kinderen?’
‘Ja.’
‘Hoeveel?’
‘Twee.’
‘Waar zijn die dan?’
‘Bij mijn zus,’ zei ik.
‘Waarom?’
‘Omdat we een avondje uit wilden.’
‘En zijn je kinderen dan niet hier?’
‘Nee, die zijn bij hun tante.’
Het meisje keek me argwanend aan.
‘Hoe heet die tante?’
‘Tante Eefje.’
‘Geloof je me niet?’
‘Jawel hoor.’
Het meisje wees in de verte.
‘Zijn dat je kinderen daar?’
‘Nee, dat zijn niet mijn kinderen. Ze zijn bij hun tante in Leiden.’
‘O,’ zei het meisje. ‘Nou, jammer zeg.’
Het meisje verloor haar interesse in ons gesprek en ze begon een beetje om zich heen te kijken.
‘Mis je ze niet?’ vroeg ze toen toch nog.
‘Ik... eh... ja, ik mis ze wel,’ zei ik.
‘Ja, dat snap ik,’ zei het meisje. Toen liep ze naar de hangmat naast de friettent, en klom erin.

 

Mijn nieuwe leven

24 juli 2015

Niets kan je voorbereiden op de komst van een tweeling. Het enige wat qua vergeljking in de buurt komt, was mijn eerste reis naar India: ik wist dat er een cultuurshock zou zijn, maar hoe dat voelde, wist ik pas toen ik midden in de nacht in een taxi door Mumbai reed, door een gekleurde mensenmassa heen die onder duizend lampionnen ik weet niet wat voor feest vierde terwijl een olifant zijn slurf door het raam stak en mensen me door datzelfde raam heen armbandjes van bloemen probeerden te verkopen. Zoals ik toen heus wel van tevoren de Lonely Planet had ingebladerd, las ik nu Het grote tweelingenboek, dat ik overigens elke keer gedeprimeerd dichtsloeg (‘Vier een groot feest als jullie het eerste jaar hebben overleefd), terwijl ik tegen mezelf zei dat het heus allemaal wel mee zou vallen.
Het begon al tijdens de zwangerschap, waarin alle mogelijke kwalen dubbel zo hard toesloegen, vandaar dat ik hier geen updates kon plaatsen – ik kon onder meer niet meer op de simpelste woorden komen, zoals – ik noem maar wat – ‘desillusie’ of ‘puntpaprika’ en zelfs als ik er wel op kwam, dan wist ik niet meer hoe ik ze moest spellen. (Overigens is die kwaal nog niet helemaal over, want die wazige wolk – ik denk dat ze dat ‘de roze wolk’ noemen – is gewoon om mijn hoofd blijven hangen.) Bovendien had ik op het laatst helemaal nergens meer tijd voor omdat we met 33 weken nog naar een groter huis moesten verhuizen en ik elke dag CTG scans kreeg en elke week een echo in een ziekenhuis dat helaas dichter bij mijn oude dan bij ons nieuwe huis lag. Zo herinner ik me hoe in week 35 (een week voor de geboorte) mijn moeder me in een rolstoel door de Ikea reed omdat wij nog geen babybedjes hadden. En hoe ik met een enorme buik op de grond van onze slaapkamer lag om verfvlekken weg te poetsen en vervolgens niet meer overeind kon komen. En ook hoe ik werd opgenomen in het ziekenhuis omdat ze dachten dat de baby’s al gehaald moesten worden, terwijl thuis nog overal gereedschap lag tussen onuitgepakte dozen en dat terwijl ik dus nesteldrang had. Gek genoeg verkeerde ik toen nog in de illusie (of was dat nou een desillusie?) dat alles wel weer rustiger zou worden als de baby’s er eenmaal waren.
Maar dat is niet zo.
Ik kan je niet precies vertellen waar ik nou de hele dag zo druk mee ben, maar meestal sta ik geloof ik met aan elke borst een baby al kinderliedjes zingend spenen uit te koken terwijl ik probeer niet in slaap te vallen. Gelukkig zijn het wel de allerliefste en allermooiste baby’s van de wereld – nee, echt waar. Maar wanneer ik ooit weer aan schrijven toekom? Ik had het er over met een andere schrijfster, en die zei dat ik er in elk geval het eerste jaar maar niet op moest rekenen en dat ik me ook maar niet moest bezighouden met de vraag wanneer ik mijn leven zou terugkrijgen (en zij kreeg maar één baby tegelijk). Kortom, ik spreek jullie weer nadat ik dat grote feest heb gegeven omdat we het eerste jaar hebben overleefd.

 

Mannenzaken

21 januari 2015

Onlangs ging ik uit eten met de drie redacteuren met wie ik samen jaren geleden het literaire tijdschrift Nymph runde: we wisten het gestencilde blaadje met nietjes onder te brengen bij een heuse uitgeverij en vele jonge, toen nog onbekende, auteurs die nu allang niet meer onbekend zijn, debuteerden bij ons. We organiseerden literaire avonden, lazen stapels kopij door, maar vooral dronken we veel rode wijn en bespraken we tussen het drinken door onlangs verschenen boeken; de gesprekken namen we op en publiceerden we integraal en inclusief dubbele tong in het blad onder de naam ‘Spraakwater’.
Eigenlijk was het etentje een soort reünie, want we zagen elkaar nog wel, maar nooit met z’n vieren tegelijk. Eerlijk gezegd had ik alledrie de mannen al heel lang niet gezien. Zo constateerde ik dat Niels nu een lange baard had, Martien juist baardloos was en Vincent zoals altijd niets was veranderd. De mannen bestelden Dubbelbock en ik bestelde een cassis. Dat leverde me drie paar opgetrokken wenkbrauwen op.
‘Ik heb een goed excuus,’ zei ik. ‘Ik ben zwanger.’
Het viel even stil aan tafel.
‘Van een baby?’ vroeg Niels toen.
‘Van twee baby’s,’ zei ik.
‘Hoe krijg je dat nou weer voor elkaar?’
‘Duurde de conceptie dan ook extra lang?’ wilde Martien weten.
‘Drie kwartier ongeveer?’ schatte Niels in.
‘En heb je nu dan grotere borsten?’ vroeg Martien geïnteresseerd.
‘Je hoeft geen antwoord te geven,’ vond Vincent, zelf vader van twee kinderen.
‘Jij zág het niet eens aan Janneke,’ zei Martien. ‘Ik zei meteen dat ze er zo stralend uitzag.’
‘Ik heb honger,’ zei ik.
Martien hield meteen een serveerster aan. ‘We moeten per direct iets te eten op tafel hebben,’ zei hij. ‘Een van ons vieren is namelijk zwanger – ik zeg niet wie.’
‘Ik weet goeie namen voor de baby’s,’ zei Niels, toen het brood op tafel stond. ‘Niels en Vincent.’
‘Als je ze maar geen Martien noemt,’ zei Martien.
‘Niels en Vincent zijn prima namen,’ benadrukte Niels.
Uit nostalgische overwegingen hadden we in het eetcafé afgesproken waar we vroeger ook vaak kwamen. Dat kwam goed uit, want er stond stamppot op de kaart, toevallig het enige wat ik op dat moment lustte.
Terwijl de mannen saté aten en ik stamppot, vroegen we ons af of het leuk zou zijn om weer eens een literaire avond te organiseren, waarbij alle inmiddels niet meer onbekende auteurs die ooit bij Nymph debuteerden, zouden voorlezen. Of dat nou wel of juist niet leuk was, daar kwamen we niet uit. Ik vermoedde wel dat ik straks met een tweeling voorlopig nauwelijks tijd zou hebben om een uitstapje naar de supermarkt te organiseren – laat staan een literaire avond.
Een bord andijviestamppot en twee cassis later was ik doodop. Om negen uur lag ik in bed, terwijl de mannen, vermoedde ik, nog heel veel rode wijn dronken en over literatuur en mannenzaken spraken.

Op naar Noord!

4 december 2014

We gingen op zoek naar een groter huis. Onze huizen waren allebei net iets te klein, maar echt heel graag weg wilden we ook weer niet. Ik woon nu al dertien jaar in de leukste straat van Amsterdam en ken daar elke straatsteen, heb winkeliers zien vertrekken (de electrozaak, de goudsmit, de kofferspecialist) en andere uitbaters zien komen (koffietentjes, koffietentjes en nog wat koffietentjes), ik ken elk geluid, hoe het zonlicht valt als het net geregend heeft, en welke buren er met welke buren op Koninginnedag om een plek vechten. Mijn geliefde woont dan weliswaar pas zes jaar in de op-één-na-leukste straat van Amsterdam, maar goed, ook hij heeft zo zijn gehechtheden.
Toch gingen we op zoek. Aan alles komt een eind, ook aan het beklimmen van te steile trappen, het groeten van de onzichtbare buurman die beschonken door je gang sluipt, en het ’s ochtends wolkjes blazen omdat de ijskristallen op de ruiten staan. Maar zo’n huizenzoektocht, dat valt nog niet mee. Nu we dan toch besloten hadden te verhuizen, wilden we ook alles wat we de afgelopen jaren niet hadden: een tuin, een paar slaapkamers, een ligbad. In de stad bleken alle huizen net één kamer of berging te klein, of een halve ton te duur. Daarom verlegden we onze focus naar de suburbs. Die suburbs, daar waren we eerlijk gezegd nog nooit geweest! Wijk voor wijk moesten we uitkammen om te ontdekken dat we in vrijwel elke buitenwijk depressief zouden worden. Sloten bijvoorbeeld vonden wij een plek waar je als hond naartoe gaat als je eenzaam in een hoekje wilt sterven. In Nieuw-West scheen een leuk buurtje te zijn, hadden we gehoord, maar we verdwaalden er hopeloos en kwamen alleen maar lelijke flats tegen. Enigszins vooringenomen sloegen we de Bijlmer helemaal maar over.
Toen belandden we in Noord. Daar was het best leuk. Oké, ook daar een aantal lelijke flats, maar ook schattige huisjes met tuintjes. En als je even door fietst, ben je zo in de polder: groene weilanden, boerderijen, sloten om in de winter op te schaatsen... In Noord zelf heb je de Landmarkt en sinds kort ook de Foodmarkt, waar ze - heel hip - insectenburgers verkopen. Je hebt er Pllek, de Tolhuistuin, het Eye en Café de Ceuvel. En dan heb je er ook nog eens een enorm winkelcentrum, mét een H&M. In dit winkelcentrum aten we een broodje, wat dan weer wel een uitdaging was, want we kwamen alleen maar kebab, hamburgers, patat en oliebollen tegen. Nergens een hip koffietentje te bekennen; uiteindelijk eindigden we in het restaurant van de Hema.
De conclusie van ons uitstapje: Noord was de voorlopige winnaar. Via via hoorden we dat de inboorlingen in Noord bang zijn dat hun stadsdeel een tweede Berlijn gaat worden, maar wij hadden daar geen bezwaar tegen. Een beetje Berlijn op z’n tijd is niks mis mee, en verder voelt heel Noord toch vooral aan als een dorp.
Toen we terug waren in de leukste straat van Amsterdam, zei ik tegen mijn geliefde: ‘Wat is het hier eigenlijk druk, he?’
‘Nou en of,’ zei hij, het lijkt wel Koninginnedag.’
Maar daar stonden dan weer heel veel koffietentjes tegenover. Met heel lekkere broodjes. We keken nog eens rond in mijn huis: zó klein was het nu ook weer niet. En dan dat uitzicht! Plus natuurlijk die fantastische buurman die nooit geluid maakte.
Nee, voorlopig waren we hier nog niet weg.

 

Een heldere ster

23 oktober 2014

Kort voordat mijn ex-geliefde overleed, kwam er een nieuwe liefde in mijn leven. Of eigenlijk kwam hij niet in mijn leven, want we kenden elkaar al jaren maar we hadden elkaar als het ware nog niet herkend (ik geloofde óók nooit dat dat kon, maar je kunt iemand door omstandigheden dus echt jarenlang over het hoofd zien). Aan mijn ex-geliefde kon ik het helaas niet meer vertellen. Een paar dagen voor zijn dood had ik hem nog aan de lijn en stond ik op het punt om er iets over te zeggen, maar hij had haast en toen zei ik in plaats daarvan: ‘Ik zie je snel’.
Later vond ik dat jammer, want hij kon altijd zo fijn zijn afkeuring of zijn zegen uitspreken over potentiële liefdeskandidaten, en wat hij zei sneed altijd hout. Maar op de een of andere manier was het alsof zijn zegen hier toch op rustte.
Met mijn nieuwe liefde ging ik naar Costa Rica. Het werd de mooiste reis ooit en het geluk was de hele reis aan onze kant. Iedereen was vriendelijk, het regende alleen als we sliepen of in de auto zaten (en dan ook heel hard, want het was regenseizoen) en we kwamen zonder gps steeds moeiteloos op de plek van bestemming – en dat terwijl er nergens in Costa Rica plaatsnaamborden staan en afslagen pas worden aangegeven nadat je de afslag al hebt gemaakt. In welk park we ook waren, altijd liepen er aapjes boven ons in de bomen, puppies kwamen onder onze strandstoel liggen, kittens nestelden zich bij ons op schoot, kolibries zaten op onze autospiegel en vlinders in onze hand. Mijn ex-geliefde was dol op dieren, dus toen we op een gegeven moment in een stoel zaten op ons privéstrand, voor onze honeymoon villa (waar we door een wonderlijk geluk gratis verbleven), zei ik tegen mijn nieuwe liefde: ‘Zou Tijn hier soms achter zitten?’. Daar had mijn liefde niet zogauw een antwoord op, maar wel viel er op dat moment een kokosnoot uit de boom, op zo’n tien centimeter van mijn hoofd.
Later in die vakantie, ging er dan toch iets mis. Mijn liefde was even boodschappen doen met de auto, en vier uur later was hij nog steeds niet terug. Zijn telefoon lag, met dode batterij, in de bungalow. Het was inmiddels donker en ik was heel erg bezorgd. Ik sprak de verhuurster van onze bungalow aan en zij zei dat ze hem de weg had gewezen naar een supermarkt nog geen vijf kilometer verderop, en dat je echt niet kon verdwalen, dus ook zij was ongerust. Enige tijd later kwam ze naar me toe. Ze was even in het dorpje geweest en daar was ze aangesproken door een vrouw die had gezegd dat ze had gehoord dat ik me erg zorgen maakte om mijn vriend, maar dat zij hem daarnet had gesproken en dat ze moest doorgeven dat alles in orde was, maar dat hij niet verder kon rijden omdat er een ongeluk was gebeurd. En dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Pas toen kon ik opgelucht ademhalen.
Een uur later kwam mijn liefde dan eindelijk terug. Hij had urenlang in het donker in de auto gezeten, met om hem heen alleen jungle en de sterren.
‘Maar wie heb je dan toch doorgegeven dat alles in orde was en ik me geen zorgen hoefde te maken?’, vroeg ik.
‘Dat heb ik niet gedaan,’ zei hij. Hij legde uit dat hij wel wat mensen had aangesproken om te vragen of er nog een andere route was, maar niemand sprak Engels en bovendien was er geen andere route. Toen was hij weer in de auto gaan zitten wachten, maar omdat hij vreesde dat ik erg ongerust zou zijn en omdat hij niet wist wat hij anders moest doen, vroeg hij mijn ex-geliefde om hulp. Hij vroeg: ‘Tijn, wil jij Janneke een boodschap geven dat alles goed met me gaat?’
Op dat moment zag hij vanuit de auto een ster vanuit het niets heel helder oplichten en weer uitdoven.
En hij geloofde niet eens in dat soort dingen.

 

Het buurmeisje

18 augustus 2014

Ik sprak af met Tijns buurvrouw en buurmeisje van zeven. Kort na zijn dood ging ik naar zijn huis om zijn katten op te halen en toen stond ineens de buurvrouw voor mijn neus. Haar dochtertje wilde nog afscheid nemen van de katten en had ook een tekening gemaakt.
Nu gingen we een ijsje eten.
De buurvrouw vertelde dat ze wel eens bij Tijn hadden gegeten en dat hij toen gamba’s had klaargemaakt.
‘Ja, gatverdamme,’ zei het buurmeisje.
‘Dat was zijn lievelingseten,’ zei ik.
‘Je zag de oogjes nog,’ zei de buurvrouw.
‘Waar zijn de katten nu?’ vroeg het buurmeisje.
‘Bij een vriend van mij,’ zei ik, ‘in een heel groot huis met heel veel kamers.’
‘Mooi,’ zei ze, ‘dan kom ik daar ook wonen.’
‘Maar dan zie je je moeder niet meer,’ zei ik.
‘Dan komt die er ook wonen. Als het toch zo groot is.’
‘Er is ook een dakterras.’
‘Perfect,’ zei het buurmeisje.
Toen wilde ze weten of haar tekening was meegegaan in de kist. Er stonden twee katten op en het woord ‘lief’ en ergens anders heel groot het woord ‘stom’. Ze wilde ook weten waar in de kist de tekening precies lag. Ik zei dat ik dat niet precies wist, maar dat het een heel mooie tekening was.
De buurvrouw en ik spraken over de begrafenis, maar het buurmeisje wilde het heel graag over de aanslag op Koninginnedag hebben, in Apeldoorn in 2009. En of het normaal was dat mensen expres andere mensen doodreden.
‘Jullie hebben het toch ook over die begrafenis?’ verklaarde ze.
‘Maar dat is van iemand die we kennen,’ zei haar moeder.
‘Willem-Alexander kennen we toch ook?’
Daarom spraken we over de begrafenis en over Willem-Alexander, en toen begon het buurmeisje ook nog over de Gazastrook: ‘Daar zijn ze wel gewend aan doodgaan. Daar gaan elke dag mensen dood.’
‘Ik denk dat niemand daar ooit aan went,’ zei ik.
‘In Gaza wel, daar went iedereen eraan.’
‘Ik denk het niet. Iedereen wil het liefste in vrede met elkaar leven.’
Het buurmeisje dacht daar even over na, toen gaf ze me gelijk, en daarna fietste ze (‘Kijk, met één hand!’) naar de speeltuin.
De volgende dag kreeg ik een mail van de buurvrouw. Ze beschreef dat haar dochtertje altijd naar de gang rende als ze Tijns voordeur hoorde, aan de andere kant van de gang. Op een gegeven moment moest ze haar tanden poetsen, maar ze werkte niet mee en gaf een enorme brul, die door het hele huis te horen was. Meteen daarop ging Tijns voordeur open en het buurmeisje sprintte naar de gang.
‘O was jij dat?’ zei hij toen. ‘Ik dacht dat het een tijger was!’
Toen moest ze zo hard lachen dat haar dwarse bui meteen over was.
Hij was haar liefste buurman.

 

Dag Tijn

30 juni 2014

Je kon van die lieve briefjes schrijven. Die hief je aan met ‘Dag lieve draaimolen’, of ‘Liefste prinses’, en je sloot af met ‘kus van Sinterklaas’, of ‘je buschauffeur’. De laatste jaren schreven we elkaar geen lieve briefjes meer, maar er bleven er een paar achter in huis. Omdat de balpen waarmee je schreef, doordrukte in het doosje van mijn vulpen, dat je als ondergrond gebruikte. En op de keukenkastjes die je beschilderde met schoolbordverf, schreef je een boodschap toen de verf nog niet droog was. Een heel groot hart met onze letters, en de tekst ‘Bij niet thuis 3x kloppen’. Best irritant, vond ik het, die vereeuwigde boodschappen in huis, vooral toen we inmiddels uit elkaar waren. Heel vaak nam ik me voor die kastjes opnieuw te schilderen, maar ik deed het niet.
De laatste tijd waren we allebei aan het daten. Niet met elkaar. Wel hielden we elkaar op de hoogte. Jij gaf aan welke foto’s ik op mijn profiel moest zetten. De tekst vond je niets, veel te lang. Ik vroeg wat jij dan zou schrijven. ‘Ik hou van meisjes die lachen naar honden,’ zei je.
De mannen met wie ik afsprak, vond je ook niks. ‘Weet je wat het is met relaties,’ zei je, ‘op een gegeven moment moet je wel je schoenen durven uittrekken en laten zien wat voor sokken je aan hebt.’
Je hield van metaforen met sokken. Ooit stonden we samen op een berg, op een snowboard, off piste, ergens tussen de rotsblokken, en ik durfde niet meer verder. ‘Je moet gewoon net doen alsof je Donald Duck-sokken aan hebt,’ zei je toen. Vanaf dat moment ging het weer.
Overigens vergat ik eigenlijk altijd online te gaan op die datingsite. Laatst kwam ik erachter dat ik al die tijd maar één match had. Met jou.
Deze week veegde ik het krijt op de kastjes met schoolbordverf uit en toen kwam daar ineens weer dat hart met onze letters tevoorschijn. Zo irritant als ik dat al die jaren vond, zo blij was ik nu dat het er nog steeds was.
Je stierf zoals je leefde. Speels, avontuurlijk, onvoorspelbaar en snel. Je ging zwemmen, klom ergens op om in het water te springen, werd onwel en viel. Meer was er niet voor nodig.
Vlak daarvoor werkte je aan een boomstronk, waar je in opdracht van een klant een tafel van maakte. Je vond hem zo mooi dat je hem het liefst zelf wilde houden. Nu staat hij op je graf, omringd door bloemen.
Waarom je nu al moest gaan, weet ik niet en zal ik waarschijnlijk nooit begrijpen. Maar je liet ons zien hoe het leven ook geleefd kan worden. Onverschrokken, onvermoeibaar, onbezonnen soms, maar ook liefdevol, met een knipoog. Op Donald Duck-sokken.
Ik weet niet precies waar je nu bent, maar af en toe roep ik je en dan hoop ik dat je me kunt horen.
Mocht je me kwijt zijn: ik ben hier.
Bij niet thuis 3x kloppen.

 

Zomer

2 juni 2014

De zomer brak aan, dus iedereen sloeg als een dolle aan het daten – behalve degenen die al een relatie hadden, hoewel, dat wist je nooit zeker. Een vriend belde me laat in de avond op om te vragen of ik zijn profieltekst wilde redigeren. Ik vroeg of dat nu meteen moest. Hij zei van wel, omdat hij anders niet kon slapen. Zijn profieltekst had veel weg van een sollicitatiebrief, maar dat kwam doordat hij een voorbeeld op internet had gebruikt. Daardoor stond het ook vol anglicismen. Ook schreef hij dat hij vooral op persoonlijkheid viel, en dat iemands imperfecties juist datgene waren wat iemand aantrekkelijk maakte. Ik zei dat hij daar maar achter moest zetten dat hij in de praktijk op meisjes met lange haren in rode zomerjurken viel, want ik kende hem toevallig vrij goed. Een uur later hingen we op. Hij kon tevreden slapen, zei hij. Ik droomde de rest van de nacht over profielteksten.
De volgende dag reden we naar het strand om andere vrienden op te zoeken, die daar in de buurt een yurt op de camping hebben waar we altijd welkom zijn. Zij waren de vorige avond uitgeweest bij een strandtent en hadden allemaal een kater. Dat gaf niets, want er was een zak met wijn die niet leek op te raken. Eigenlijk was het niet de bedoeling dat je bij de strandtent uit je eigen wijnzak dronk, maar de yurteigenaar kwam er zo vaak dat hij alles mocht wat verboden was. En anders, zei hij, kon hij altijd nog de wijnzak om zijn lichaam binden en doen alsof het een stoma was.
Terwijl we wijn dronken uit de stoma, werd de avond geëvalueerd. Een vriendin van mij was de hele avond belaagd door allerlei mannen die haar hadden geprobeerd te versieren, maar zodra ze iets zeiden, was ze heel hard weggerend. Dat kwam doordat ze niet wist wat ze terug moest zeggen zodra ze een compliment kreeg.
De yurteigenaar vond dat we een rollenspel moesten doen waarin zij zou oefenen om niet weg te rennen. Mijn vriend moest haar een compliment geven, maar hij wist zelf niet wat hij moest zeggen. Op dat moment kwam er een vage bekende voorbij, die zijn rol maar moest overnemen, maar hij begreep niet wat er van hem werd verwacht.
‘Mannen zijn langzaam,’ zei de vage bekende. ‘We moeten altijd eerst nadenken voordat we een compliment maken.’
Gelukkig kwam er toen een wildvreemde man aan, die ongevraagd tegen mijn vriendin begon te praten. Hoe oud ze was, wilde hij weten.
Mijn vriendin vertelde hoe oud ze was.
‘Ik dacht dat je véél ouder was,’ zei de wildvreemde man. ‘Dat komt doordat je zo veel rust uitstraalt.’
Ik vroeg me af of hij wel of niet lang had nagedacht voor hij dit compliment maakte. Mijn vriendin zei niets terug. De yurteigenaar wel. ‘En jij wil seks?’ zei hij tegen de wildvreemde man. ‘Dat kun je wel op je buik schrijven.’
De wildvreemde man droop af.
Mijn vriend kreeg het koud en we reden naar huis. De volgende ochtend stond zijn profiel online. Mijn vriendin appte me dat ze die avond weer was belaagd door allerlei mannen en dat ze ze allemaal van zich af had geslagen.
Het beloofde een mooie zomer te worden.

 

Mannen van zestig

28 april 2014

Ik belandde op een heel chic barbecuefeestje. Ik wist ook niet dat dat bestond, chique barbecuefeestjes, dus ik had gewoon een spijkerbroek en mijn sneakers aan – het was Koningsdag en ik had al genoeg gelopen die dag. Voor de zekerheid had ik ook alvast gegeten, want ik eet eigenlijk helemaal geen vlees, laat staan verbrande worstjes. Ik fietste twee keer voorbij aan het adres, tot ik doorhad dat die villa aan het water midden in de stad dan blijkbaar toch de plek was waar ik moest zijn. Er stond iemand bij het hek die vroeg wie ik was. Ik zei dat ik Janneke was en toen ging het hek open. ‘Vanaf nu zijn er alleen nog maar gasten welkom die per boot komen,’ zei de man, die de gastheer bleek te zijn. Ik deed net alsof ik helemaal niet onder de indruk was. In de tuin aan het water stonden allemaal mensen in dure kleding deftige hapjes te eten en champagne te drinken. Er was een prins en nog een paar belangrijke mensen die ik niet herkende. Ik bleef een beetje staan gapen naar het huis – ik kon eigenlijk niet geloven dat hier echt mensen woonden.
Er kwam een meisje naar me toe. ‘Ik ben zo blij dat jij ook op sneakers loopt,’ zei ze.
‘Nou, ik ook,’ zei ik.
‘Ik voelde me al de hele tijd heel ongemakkelijk, tot ik jou zag,’ ging het meisje verder.
De vriend die me had uitgenodigd, zei: ‘Zo, je hebt je hardloopschoenen aan, zie ik.’
‘Ik heb een blessure,’ zei ik.
‘Je hebt wel oranje veters,’ zei iemand anders, die een professioneel wielrenner bleek.
Gelukkig was binnen anderhalf uur iedereen dronken en lette niemand meer op m’n schoenen. Er kwamen allemaal mannen van zestig naar me toe die zeiden dat ze me vreselijk mooi en ook zo heerlijk ongedwongen vonden. Ik zei dat dat door mijn schoenen kwam. Ze hoorden me uit over mijn liefdesleven en vroegen of het wel of niet jammer was dat ze nooit XTC hadden gedaan. Ik somde de voor- en nadelen van XTC op en vertelde alles over mijn liefdesleven, aangezien ze het morgen toch niet meer zouden weten. Een van de mannen (62) zei dat hij één advies had wat betreft mijn liefdesleven. Wat dan, vroeg ik. Kies voor mij, zei hij. Daarna viel hij om. Een van de andere mannen stelde voor een drinkspelletje te doen, waarbij je een slok moest nemen als het antwoord ‘ja’ was op een vraag die hij verzon. ‘Wie heeft er deze week nog seks gehad?’ vroeg hij. Geen van de zestigers dronk. ‘Wie voelt zich aangetrokken tot iemand in deze groep?’ vroeg hij. Alle zestigers dronken. Ik was de enige vrouw. Er kwam een andere zestiger naar me toe die vertelde over zijn auto’s, zijn vrouw die altijd in bed lag en zijn vriendin die hem zo kwam ophalen, en hoe goed dat allemaal samenging. Een andere zestiger bracht het gesprek op werk, maar niemand op het feest hield van werken.
De gastheer kwam naar me toe. ‘Ze deugen allemaal niet hoor,’ zei hij.
‘O, gelukkig,’ zei ik.
Op een gegeven moment was de tuin leeg en ik zei tegen de vriend die me had uitgenodigd dat het feest volgens mij afgelopen was. Samen gingen we naar een kroeg om de hoek, waar we meezongen met ‘Ademnood’ en ‘Even aan m’n moeder vragen’. De vloer lag vol met bier en blubber.
Gelukkig had ik mijn sneakers aan.

 

Victor

31 maart 2014

Mijn buurjongen was zo vaak op reis dat er al een paar maanden een vriend van hem in huis woonde, Victor. En nu had mijn buurjongen ineens een huis gekocht. Om de hoek. Zijn vriendin, die uit Colombia komt, vond het te koud op onze gang. Victor (die uit Rusland komt) vond het niet te koud op onze gang. Maar toch ging hij ook verhuizen. Naar Papua-Nieuw-Guinea. Zijn vriendin (uit Zimbabwe) bleef achter in Amsterdam, maar niet in mijn huis. Hoe dan ook, Victor (die nu dus ook al een paar maanden mijn buurjongen was) hield een afscheidsfeest in het nieuwe huis van mijn oude buurjongen. Ik werd een paar uur van tevoren uitgenodigd. Ik had al afgesproken met een vriendin (gewoon uit Nederland), maar zij mocht ook komen.
Toen we aanbelden, keek mijn buurjongen heel verbaasd.
‘Waar ken jij Victor dan van?’ vroeg hij aan mijn vriendin.
‘Ik ken hem niet,’ zei ze.
‘We weten niet waar Victor is,’ zei mijn buurjongen. ‘Hij had er allang moeten zijn, maar hij neemt zijn telefoon niet op.’
Wij gingen op de bank zitten. Er waren nog drie andere gasten: de moeder van mijn buurjongen, haar vriend en haar beste vriendin. Ze bleken alledrie mijn website te volgen.
‘Vertel nog eens hoe dat ging met die tien jongens die ineens voor je deur stonden,’ zei de moeder van mijn buurjongen.
‘Kwamen die nou uit Engeland?’ vroeg haar vriend.
‘En wat is er gebeurd met de shoarmazaak onder het huis?’ vroeg de buurjongen.
‘Die is failliet,’ gokte ik.
‘Waarom schrijf je daar geen stukje over?’ zei mijn buurjongen. ‘Ik haalde daar elke week shoarma.’
‘Ja,’ vond zijn moeder.
Ik vertelde dat ik de laatste tijd niet meer zo vaak toekwam aan het schrijven van stukjes, omdat ik nogal veel bij Libelle werkte.
‘Bestaat dat blad nog steeds?’ vroeg de vriendin van de moeder van mijn buurjongen.
‘Ja hoor,’ zei zijn moeder. ‘Het gaat juist heel erg met z’n tijd mee.’
‘Sinds Janneke er werkt wel,’ zei mijn buurjongen.
‘Wat gaat Victor eigenlijk doen in Papua-Nieuw-Guinea?’ vroeg ik.
‘Dat weet niemand,’ zei mijn buurjongen. ‘Maar hij gaat er heel veel geld mee verdienen.’
Een uur later kwam Victor binnen, samen met zijn vriendin.
‘Ik wist helemaal niet dat de klok een uur vooruit gegaan was,’ zei hij. ‘Bovendien waren we op het strand en toen ik de auto parkeerde, stak ik het parkeerkaartje in mijn mond, en toen heb ik mijn lip opengehaald aan dat kaartje.’ Hij wees op zijn lip. ‘Het bloedde als een gek.’
‘Ah, een papercut,’ zei ik.
‘Nee, het was veel erger dan een papercut, dat zie je toch wel?’
We keken allemaal naar zijn lip, maar er was eigenlijk niet zo heel veel te zien. Hij liet het parkeerkaartje zien, waar volgens hem nog een stukje vlees aan kleefde. We bekeken het kaartje en spraken nog een tijdje over Victors lip. Toen gingen we aan tafel. Uit de keuken kwam nog een andere vriend van mijn buurjongen tevoorschijn, die daar de hele tijd had staan koken en nu een complete maaltijd opdiende. Mijn buurjongen vertelde nog wat over hoe hij vroeger van elke middelbare school was gestuurd die er was. Dat kwam doordat hij altijd tot laat in de nacht films keek en dan ’s ochtends zijn bed niet uitkwam. Dan kwam hij te laat op school en moest zich de volgende dag om acht uur melden, wat hij braaf deed, maar vervolgens ging hij weer naar bed en kwam hij weer te laat.
‘Ja, en de schoonmaakster deed alsof ze mij was en dan ze belde om te zeggen dat hij ziek was,’ zei zijn moeder.
Na het eten moesten we meteen weg, want m’n vriendin en ik hadden gereserveerd voor een film, waar we volgens Victor trouwens helemaal niet heen hoefden omdat het een vage saaie film was waar je bij in slaap viel.
‘Ik voelde me wel een beetje een partycrasher,’ zei mijn vriendin toen we weer buiten stonden.
De volgende ochtend stond Victor in mijn gang om afscheid te nemen. Ik vroeg aan hem of hij eigenlijk wel aan de buurjongen had verteld dat ik een vriendin mee zou nemen, omdat hij nogal verbaasd leek toen we aankwamen.
‘Hij is altijd verbaasd,’ zei Victor. ‘Als hij ’s ochtends wakker wordt, is hij al verbaasd.’
‘Ja, dat is waar,’ zei ik.
‘Hoe was de film?’ vroeg Victor.
‘Supergoed,’ zei ik.
‘Vond je hem niet te arty?’ vroeg hij.
‘Nee hoor,’ zei ik.
We spraken af dat we elkaar nog eens zouden zien, als hij ooit nog terugkwam uit Papua-Nieuw-Guinea.
Nu is het stil beneden. Heel stil. Het is de stilte die mensen achterlaten nadat ergens is geleefd.
Gelukkig werden m’n vriendin en ik vandaag uitgenodigd op een barbecue bij mijn oude buurjongen in huis, volgende maand. We kijken er nu al naar uit.

 

Een zware nacht

11 maart 2014

Terwijl het onverwachts al zomer was, fietste ik naar de kopieerwinkel. Het laatste waar ik zin in had, was een uur binnen gaan staan kopiëren, maar ik moest wel. Mijn cursus begon alweer bijna en een schrijfcursus is nou eenmaal geen schrijfcursus zonder literatuurfragmenten. Terwijl ik mijn fiets parkeerde, dacht ik: ik moet eens een stukje schrijven over waarom mensen die in kopieerwinkels werken altijd zo chagrijnig zijn. In elk geval in de kopieerwinkel waar ik altijd naartoe ging: daar zeiden ze nooit wat en keken ze je aan alsof ze zich afvroegen wat je hier in godsnaam kwam doen. Als ze tenminste ooit naar de balie kwamen sloffen, want meestal zaten ze ergens achter in een hoek belangrijker dingen te doen – waaronder te veinzen alsof je niet bestond. Een en ander had vast iets te maken met die verstikkende lucht die binnen hing, een mix van kopieermachines, printers, computers, papier en een vleugje zweet.
Toen ik binnenkwam, werd ik vrolijk begroet door een kopieerwinkelbediende die ik nog nooit had gezien.
‘Nummer één!’ riep hij uit, alsof hij een prijswinnaar bekendmaakte.
Ik liep naar machine één en begon met het kopiëren van een fragment uit Wolkenatlas van David Mitchell.
Toen ik bezig was met de pagina waarin schrijver Dermot Hoggins op een literair feestje een kritische recensent met een judoworp over de balustrade heen slingert – recensent dood en zijn boek een instant bestseller –, liep de kopieerwinkelbediende langs.
‘Alles naar wens?’ vroeg hij.
‘Jazeker,’ zei ik.
‘Goed zo!’ riep hij uit.
Even later – ik had net een dialoog uit Murakami’s De jacht op het verloren schaap op de glasplaat gelegd waarin een taxichauffeur het telefoonnummer van God aan de ik-figuur geeft – hield de machine ermee op. Het papier moest aangevuld worden, meldde het display.
‘Uhm,’ zei ik, meer tegen mezelf dan tegen iemand anders, want de vrolijke kopieerwinkelbediende zat inmiddels minstens zeven meter verderop. Maar blijkbaar had hij heel goede oren, want hij sprong op en riep uit: ‘Het papier is op!’
Tien seconden later stond hij naast me met een pak papier.
‘Sorry dat het zo lang duurde,’ zei hij. ‘Ik heb een zware nacht gehad.’
‘Nou, daar is anders niets van te merken,’ zei ik. ‘Je lijkt behoorlijk vrolijk. Meestal zijn mensen in kopieerwinkels juist best chagrijnig.’
‘O, maar sinds ik hier vijf dagen geleden ben komen werken, is iedereen heel gelukkig,’ zei hij.
‘Je werkt hier pas vijf dagen?’ vroeg ik.
‘Ja, alweer vijf dagen en ik weet nu al hoe ik het papier moet aanvullen.’
‘Dus die lucht hier is nog niet naar je hoofd gestegen?’ peilde ik voorzichtig.
‘Welke lucht?’ vroeg hij. Hij liep naar zijn collega’s, die achter in de hoek belangrijker dingen aan het doen waren. ‘Jullie schijnen altijd chagrijnig te zijn,’ zei hij tegen hen.
Zijn collega’s zeiden niets terug.

 

Het nieuwe krijgen

26 februari 2014

‘Geven is het nieuwe krijgen’, hoorde ik laatst. De trend is gebaseerd op dit boek en schijnt vooral populair te zijn onder zelfstandig ondernemers: elkaar gratis diensten bieden. In ruil daarvoor – dat heeft iets met het universum te maken – krijg je daar van alles voor terug, niet per se van degene aan wie je iets gegeven hebt. Dat geven loont, is trouwens ook onderzocht: altruïstische bedrijven schijnen betere resultaten te behalen. Niet alle ondernemers zijn even enthousiast over het weggeef-principe, zeker niet nu het crisis is en ze hun inkomsten toch al zien dalen. Ik herinner me de – overigens hilarische –  brief op Facebook van schrijver Arjen Lubach aan de Van Dale in reactie op hun vraag een gratis verhaal voor ze te schrijven. Hij draaide de situatie om en vroeg allerlei gratis diensten aan hen terug. Maar zo werkt het natuurlijk niet met het nieuwe krijgen.
Zelf krijg ik de laatste tijd zo veel, dat ik me af begon te vragen of ik eigenlijk wel genoeg geef. Zo maakte mijn favoriete fotograaf zomaar een nieuwe foto van me, omdat hij daar zin in had. Mijn favoriete vormgeefster (tevens de gulste persoon die ik ken) geeft alles voor me vorm wat ik maar wil. En sinds ik aan woningruil doe, heb ik al een aantal keer meegemaakt dat mensen me aanboden in hun huis te verblijven zonder daar iets voor terug te verwachten. Om maar wat voorbeelden te noemen.
Gelukkig werd ik vandaag gebeld door Kunstbende met de vraag of ik een paar prijzen wilde sponsoren aan de toekomstige winnaars, in de vorm van schrijfcoaching. Dat wilde ik maar al te graag, en niet alleen omdat ik in 1997 zelf de Kunstbende won, en anders misschien wel nooit had ontdekt dat ik kon schrijven. Ik was gewoon ook blij dat ik weer eens iets terug kon geven.
Maar stiekem geloof ik niet zo in dit opzichtige geven (in ruil voor mijn vrijgevigheid wordt mijn logo overal vermeld, en nu schrijf ik het ook nog eens hier op). Nee, doe mij maar het onzichtbare geven: een omgevallen fiets oprapen, zwerfafval weggooien dat je in het park tegenkomt, een gevonden voorwerp naar het politiebureau brengen. Of, nog onzichtbaarder: als ik in een goede bui ben, pas ik wel eens de boeddhistische meditatie van liefdevolle vriendelijkheid toe op willekeurige voorbijgangers, onder het motto ‘baat het niet dan schaadt het niet’. Dit lukt me lang niet altijd. Gisteravond ging ik mijn oud papier in de papierbak gooien, toen daar een zingende zwerver druk in de weer was met karton dat iemand naast de bak had gezet. Dat had hij natuurlijk nodig om op te slapen. Ik had helemaal geen zin in een zingende zwerver, en wenste hem al helemáál geen liefdevolle vriendelijkheid toe. Totdat ik nogal ingespannen naar hem begon te luisteren – hij zong vrij vals en met dubbele tong. ‘Het schijnt moeilijk te zijn voor mensen om het karton in de bak te gooien,’ zong de zwerver, ‘daar krijgen ze pijn van in hun rug. Daarom doe ik het maar.’ Nu pas zag ik dat hij het karton in kleine stukken scheurde, die hij door de gleuf van de papierbak schoof.
Lang leve de gevende zwerver. Ik hoop dat hij er veel voor terugkrijgt.

 

Kattenpis

10 februari 2014

Samen met een vriendin ging ik naar een afscheidsfeestje van een vriend die naar Shanghai ging verhuizen. De vriend ontmoette ik toen we allebei achttien waren en de Kunstbende hadden gewonnen, ik met een verhaal en hij met een modeshow. Nu, achttien jaar later, ging hij in Shanghai een aantal modezaken opzetten. De kroeg zat verstopt in een donker steegje. Binnen was het druk. Ik vroeg aan mijn vriendin of ze haar portemonnee soms in mijn tas wilde doen, aangezien ze zelf geen tas bij zich had, maar ze zei dat ze hem liever in haar jas liet zitten zodat ze daar de hele avond neurotisch naar kon staren.
We spraken de vriend aan die naar Shanghai ging verhuizen. Ik zei dat hij eigenlijk helemaal niet weg kon. Mijn vriendin had namelijk een abessijnse kat die overal in huis piste omdat hij zo gestrest werd van de andere kat, en ze zocht nog een nieuw baasje voor haar gestreste kat. Ik had bedacht dat mijn vriend het perfecte baasje was, aangezien mijn katten zijn bank al volledig hadden onder gepist alle keren dat ze bij hem logeerden terwijl ik op vakantie was. Mijn vriend had dat niet eens gemerkt, hij had zelfs nog een logé op de bank laten slapen, boven op die pis van mijn katten. Mijn vriend vroeg aan mijn vriendin of haar kat een beetje Mandarijns sprak. Mijn vriendin zei dat haar kat vloeiend Mandarijns sprak: ze kon de kat immers nooit verstaan en datzelfde had ze met iedereen die Mandarijns sprak. De vriend zei dat de Mandarijnse abessijnse kat van harte welkom was om mee naar China te verhuizen, maar mijn vriendin sloeg het aanbod af omdat ze de kat eigenlijk helemaal niet kwijt wilde, net zoals we onze vriend niet kwijt wilden.
We raakten aan de praat met een andere vriend, die we nog kenden van Oud en Nieuw. Hij was een beetje van slag omdat hij net een ex-vriendin was tegengekomen, met wie hij het ooit op haar verjaardag had uitgemaakt. Ik vroeg waarom hij dat op haar verjaardag had gepland. Hij zei dat het zo’n avond was waarop hij onze vriend de hele discotheek door had gedragen omdat ze zo dronken waren, en dat hij toen ineens op een punt belandde waarop hij geen zin meer had in de relatie. Hij zei dat wij alleen relaties mochten beginnen met mannen die je tenminste af en toe op een avond de hele discotheek door kon dragen, want als dat niet kon, viel er geen land met ze te bezeilen. Hij gaf nog meer datingadvies, zoals dat je nooit anale seks moest hebben op een eerste date. Via via kende hij namelijk een meisje dat dat had gedaan, en dat, in combinatie met het feit dat ze Amalia heette, had haar reputatie geen goed gedaan. Hij had nog meer adviezen, maar gelukkig konden we die niet verstaan.
De twee broers en twee zussen van de vriend die naar China ging verhuizen, gingen op de bar staan en vertelden dingen over mijn vriend die ik nog niet wist. Zo had hij als klein jongetje eens zijn spaarvarken stukgeslagen omdat zijn moeder zwanger was van zijn jongste zusje. En ook al wist niemand toen nog dat het een zusje zou worden, toch ging mijn vriend met de acht gulden die hij in zijn spaarpot vond naar de Hema en kocht daar een jurkje voor zijn nog niet geboren zusje. Er schuilde toen al een modeontwerper in hem.
Mijn vriendin en ik gingen naar huis, naar onze niet zo zindelijke katten. De vriend zit inmiddels in China. Wij en onze katten missen hem nu al.


De dood

28 januari 2014

Soms heb je zo’n verjaardag waarbij de cadeaus die je krijgt een soort gemeenschappelijk thema blijken te hebben. Zo kreeg ik eens op een verjaardag – niet lang voor ik begon aan het schrijven van ‘De droomfotograaf’ - vrijwel alleen maar boeken over dromen. Er zijn ook verjaardagen geweest waarop ik voornamelijk poëziebundels kreeg, of accessoires voor mijn fiets. Dit jaar was het thema ‘de dood’. Ik kreeg de dvd’s van ‘Six Feet Under’, de veelgeprezen tv-serie over een familie van begrafenisondernemers, die ik nog steeds niet had gezien, en de everseller ‘Het Tibetaanse boek van leven en sterven’, waarin in zo’n 400 pagina’s de Tibetaans-boeddhistische visie op de dood wordt geopenbaard. Blijkbaar heb ik een leeftijd bereikt waarop ik word geacht na te gaan denken over de dood. Een tikje verontrustend. Of toch niet?
Er schoot me te binnen dat ik als kind heel wat af filosofeerde over leven en dood. Op de middelbare school hield ik eens mijn spreekbeurt (of heette dat toen ‘referaat’?) over de dood. Een doodnormaal onderwerp, vond ik toen, hoewel ik niet weet of mijn klasgenoten daar ook zo over dachten. Ik ben vergeten wat mijn verhaal precies inhield, maar als ik me goed herinner betoogde ik dat de dood meer geïntegreerd zou moeten worden in het leven, in plaats van dat we er bang voor zijn of het bestaan ervan ontkennen. Geen idee waar ik die mening op baseerde, want ‘Het Tibetaanse boek van leven en sterven’ had ik toen nog niet gelezen. In elk geval blijken de Tibetanen er net zo over te denken, ontdek ik nu. Zij gaan daar wel wat ver in: voor hen is de dood het belangrijkste moment van je leven. De mate van bewustzijn waarmee je de dood tegemoet treedt, bepaalt namelijk in hoeverre je je kunt losmaken van samsara, de eindeloze lijdensweg van leven, sterven en wedergeboorte waarin wij volgens boeddhisten verstrikt zijn. Samsara in het Westen bestaat vooral uit een eindeloze reeks bezigheden die ons moeten afleiden van waar het werkelijk omdraait in het leven – en de dood. ‘Geobsedeerd door valse hoop, dromen en ambities, die geluk beloven maar slechts aanleiding zijn tot meer ellende, zijn wij als mensen die door een eindeloze woestijn kruipen, omkomend van dorst. Het enige wat samsara ons aanreikt is een kop zout water, bedoeld om ons nog dorstiger te maken,’ schrijft Sogyal Rinpoche in ‘Het Tibetaanse boek van lezen en sterven’. En een andere Tibetaanse meester zei: ‘Plannen maken voor de toekomst is als vissen in een droog ravijn. Niets gaat ooit zoals jij het wilde, dus laat al je plannen en ambities maar varen. Als je ergens over na moet denken, laat het dan de onzekerheid van het uur van de dood zijn.’
De makers van ‘Six Feet Under’ lijken hetzelfde duidelijk te willen maken, op een andere manier. Alleen al de opgewekte reclames voor lijkbalsem en andere begrafenisattributen waarmee aflevering één wordt doorsneden, zetten op zijn minst aan tot nadenken. De dood wordt in de serie overigens wel ruimschoots afgewisseld met de perikelen van in samsara verkerende personages, maar anders zou er natuurlijk geen lol aan zijn.
Ik heb nog 350 pagina’s te gaan in ‘Het Tibetaanse boek...’ en nog 3275 minuten van ‘Six Feet Under’, dus het ziet ernaar uit dat de dood voorlopig nog even een thema blijft in mijn leven. Wat ik met al deze input ga doen, weet ik nog niet. In elk geval geen spreekbeurt houden.

 

Désolé

9 januari 2014

Ik ruilde mijn woning in Amsterdam met die van Alice in Parijs. Alice kon niet zo goed Engels, waardoor ik niet alle mailtjes die ze me van tevoren stuurde, even goed begreep. Zo schreef ze dat haar moeder de deur voor ons open zou doen, maar dat het belangrijk was dat we alleen Frans met haar spraken omdat ze geen woord Engels verstond. ‘If you have master’s degree of French that will do,’ schreef Alice, ‘otherwise said the I and I would make call up in more to a friend who speaks English’. Ook schreef ze: ‘We are very pleased with this meeting and that our apartment has rained’. Ik mailde terug dat ik daar ook erg blij mee was.
Toen wij – mijn zusje en ik – aankwamen op de plek van bestemming, zagen we op het huisnummer dat Alice had aangegeven alleen een ziekenhuis. Nu had ik wel begrepen dat ze in de buurt van een ziekenhuis woonde, maar niet erín. Alice had me het telefoonnummer van haar broer gegeven, dus die belde ik op, maar hij nam niet op. Toen belde ik Alice zelf, maar zij nam ook niet op.
We vroegen aan een man die net naar buiten kwam, of hij misschien wist of er op dit nummer ook ergens appartementen waren? ‘Mais non,’ zei hij. We probeerden – met drie woorden Frans en gebarentaal – uit te leggen dat we een woningruil deden en dat er ergens op dit nummer in deze straat een appartement zou moeten zijn. Aha, hij leek ons te begrijpen. Hij vertelde dat hij in het ziekenhuis werkte als concièrge en bracht ons naar een collega die wel een paar woorden Engels sprak. We vertelden dat we ook een telefoonnummer hadden van de moeder van Alice, maar dat zij alleen Frans sprak en wij niet. Vervolgens belde de aardige concièrge de moeder van Alice. Zij nam op. ‘Alles komt goed,’ zei de concièrge na dit telefoontje. ‘Er komt iemand aan.’ Hij wenste ons veel succes.
Wij gingen op onze koffers zitten in de gang van het ziekenhuis en hoopten er het beste van. ‘Misschien bestaat die Alice helemaal niet,’ opperde mijn zusje. ‘Heb je haar gegoogeld?’ Ik bekende dat ik dat niet had gedaan – ze leek zo aardig in de mails. Mijn zus wierp een blik op de uitgeprinte mails. ‘Een hótmailadres,’ zei ze, alsof daar alles mee gezegd was.
Ik zei dat ik altijd nog mijn buren kon bellen om Alice – of wie er dan ook op dat moment in mijn huis verbleef – mijn huis uit te zetten. En dan boekten we gewoon een hotel. Wellicht was ik ook veel te goedgelovig met dit soort dingen, etcetera.
Op dat moment kwam Alices broer het ziekenhuis in. ‘Je suis désolé,’ zei hij. Hij nam onze koffers van ons over en leidde ons via de achterdeur van het ziekenhuis het ziekenhuisterrein op. Daar bleek ergens een oud gebouw te zijn dat niet langer als ziekenhuis in gebruik was. We doorkruisten een vervallen trappenhuis en een stoffige betegelde gang waar hier en daar nog medische attributen stonden. De broer van Alice deed een deur open. We betraden een schitterend appartement met twee enorme slaapkamers, een riante badkamer en een hypermoderne keuken. Op het aanrecht had Alice ontbijt voor ons klaargezet: koffie, thee, chocolademelk, brood, koekjes en bonbons. Op alle apparaten in huis hingen post-its met uitleg. Op tafel lag een plattegrond van Parijs, waarop Alice had aangegeven waar we boodschappen konden doen en wat de leukste buurten waren om te winkelen, met daarnaast een map met alle Engelse gebruiksaanwijzingen van de apparaten in huis – van afwasmachine tot Nintendo Wii.
‘Ça te plaît?’ vroeg Alices broer.
‘I am very pleased that it has rained,’ zei ik.

-------------------------------------------------

image4

Teksten: ©Janneke Jonkman

-------------------------------------------------

Archief

Nieuws

* Meer blogs lezen? Janneke blogt sinds kort over het (tweeling)moederschap op Me-to-We. More to come!

* Bekijk de tv-film Verre vrienden van Marleen en Janneke Jonkman.

Ga naar nieuws


Bestellen

Een gesigneerd exemplaar bestellen van Vederlicht, Verboden te twijfelen, De droomfotograaf of Soms mis je me nooit?

Ga naar bestelformulier


vederlicht

vederlichtstrik_transparant_260x200‘Onder de lichte luim schuilt telkens de diepgang’
De Morgen

‘Ontluisterend’
Rudi van Dantzig

‘De beschrijvingen zijn levensecht’
De Telegraaf

Bekijk hier de boektrailer. 

Ga naar nieuws