Zwitserland

25 november 2013

Ik bezocht een vriend in Zwitserland. Vanuit zijn woonkamer had je uitzicht op wat ik bergen noemde, maar wat volgens hem heuvels waren. Ik vond ze vrij hoog voor heuvels. Je kon vanuit het raam de zonsopgang en de zonsondergang zien, en soms een regenboog, helemaal van de ene kant van de heuvels naar de andere kant. ’s Nachts veranderde de stad die tussen de heuvels verscholen lag in een veld van lichtjes. De vriend had geen gordijnen. Niemand zou gordijnen kopen met zo’n uitzicht.
Het huis lag zelf ook op een heuvel, waarop mensen moestuintjes hadden aangelegd, tegen de helling op. Er waren fruitbomen en hier en daar een huis. Klom je hier omhoog, dan liep je langs een van beneden af onzichtbaar pad zo het bos in. Door het bos kronkelde een rivier zoals je die alleen in Zwitserland tegenkomt, en overal in het bos waren beekjes die hun weg naar de rivier zochten. Ook waren er wilde dieren: een lynx en een paar wolven en nog een paar dieren waarvan ik de namen ben vergeten, het waren van dat soort dieren waarvan je eigenlijk nog nooit hebt gehoord, maar ze leken op rendieren, steenbokken en jakken.
’s Avonds aten we warme kastanjes en rauwe pompoen. De vriend vertelde dat hij de pompoen verderop in een dorpje had gekocht in een winkel waar ze alleen maar pompoenen verkochten. Toen de winkel failliet dreigde te gaan, organiseerden de dorpsbewoners een pompoenenfestival. Ze sneden honderden pompoenen uit en maakten er lampionnen van. Alle straatverlichting ging uit, alleen de pompoenen gaven nog licht. Op straat werd gedanst en er waren kraampjes met eten, voornamelijk pompoen. De opbrengst van het festival ging naar de winkel en zo kwam het dat de winkel nog steeds bestond. De vriend was er pas nog geweest, naar dat pompoenenfestival, en daar had hij de pompoen gekocht die je rauw moest eten.
Van kastantjes hielden ze ook, de Zwitsers. Aan het meer van Zürich vond je om de paar honderd meter een stalletje waar je geroosterde kastanjes kon kopen. Heisse maroni, noemden ze die. Vroeger was het voedsel voor de armen, vertelde de vriend, net als zalm. Ooit golden er voorschriften in Zwitserland dat je je bedienden ten minste één keer per week iets anders te eten moest geven dan zalm. Intussen aten wij heisse maroni, terwijl we uitkeken op het meer van Zürich. Ik vroeg me af of ze hier in de zomer ook overal heisse maroni verkochten, want volgens mij waren ze vooral bedoeld om je handen aan op te warmen. Het was zo koud in Zwitserland dat het al lang winter leek. Ook vanwege alle verlichte kerstbomen in de stad. Sinterklaas bestond hier wel, maar hij woonde in het bos en reed rond op een ezeltje en niemand zat echt op hem te wachten. Dat kwam waarschijnlijk doordat zijn piet, die Smutzli heette, geen pepernoten strooide, maar doppinda’s (die hij trouwens ook niet strooide, je moest ze gewoon zelf kopen). Schmutzli was soms wit en soms zwart en hij had net zo’n lange baard als de Sint. Ergens vond ik dat wel eerlijk.
We wandelden lange tijd langs het meer en namen een boot terug die toevallig voorbijvoer, terwijl het buiten donker en nog kouder werd en de kastanjeverkopers hun stalletjes sloten.
Ik ging met tegenzin terug naar Nederland.